Hoe werkt de kanjertraining

De Kanjertraining werkt met petten;  wit, rood, zwart en geel. Elke kleur correnspondeert met een eigenschap, gekoppeld aan een dier. Geel staat voor empatisch, kan goed invoelen in een ander, sociaal. Het dier hiervoor is het konijn. Wanneer het te ver door slaat (de goede intentie van de witte pet er niet meer onder zit), staat geel voor onzekerheid en zielig zijn. Rood staat voor humor, dit is weer gegeven door middel van de aap. Deze kinderen kunnen anderen goed aan het lachen maken en daarmee het ijs breken. Wanneer de goede intentie weg valt wordt alles een lolletje  en worden er grapjes gemaakt ten koste van anderen. De zwarte pet staat voor leiderschap, iemand die initiatief toont en dingen kan regelen. Het dier hierbij is een vlerkje. Wanneer de witte pet eronder ontbreekt gaat deze persoon alles zelf bepalen, niet meer luisteren naar anderen en de baas spelen. De witte pet staat voor de goede intentie, de kanjer.  Het dier hierbij is de tijger. Een kanjer probeert te helpen wanneer er iets is, maar kan zich ook omdraaien en juist bij iets vandaan lopen en lekker iets anders (wel leuks) gaan doen. 

Het doel van de Kanjertraining is kinderen inzicht te geven in eigen gedrag en gedrag van anderen en hierop te kunnen reageren. Elke week wordt er in de klas Kanjertraining gegeven door beide (groeps)leerkrachten. Bij de onder- en middenbouw wordt er gewerkt met een knieboek. In de bovenbouw wordt er gewerkt met het digibord. Er komen gespreksonderwerpen naar voren maar ook oefeningen. Een belangrijk onderdeel van de Kanjertraining is vertrouwensoefeningen. Zo is er bijvoorbeeld een opdracht 'plank vallen', hierbij laten kinderen zich als een plank achterover vallen. Het kind erachter vangt hem of haar op. Kinderen leren hierbij dat ze te vertrouwen moeten zijn maar dat het ook fijn is als de ander hem of haar vertrouwt.